gallery/c53849620edcbca9842eb1c9399df661_230x131

een luttel dier probeert kieren te dichten

verkoeling naar binnen te metselen

in de gangen van zijn zandkasteel

zwaluwen vluchten in cirkels

jagen hun stem na in de wind

de lucht, een verlengstuk

van weids en helder water

als een kind met een spiegel

en de ogen van zijn moeder

evenzo sprekend en blauw

 

het zindert verderop

hier kan een steen de zon verwensen

haar haar eigen warmte teruggeven

hier danst een dier op blote voeten

averechts over de hitte van iedere steen

hier is waar alleen de lucht niet schuilt

warmer ademt dan ieder leven

zomerhitte

lentewater

tussen sneeuw en hagel

snijdt de zon

de winter open

dwingt ijs

te bewegen naar

onwennig koud water

het weer wankelt

van in en uit haar doen

onderworpen

aan tijd, aan twijfel

toch verplicht

het zeil te hijsen

te varen

van eerder naar later

naar een volgend seizoen

iedere nieuwe eenling

bobbelt een druppel

oppervlak groen

kroos dat langzaam uitdijt

het water toedekt

met een dun lakentje plant

alsof het zegt, doe maar

even niet zo vloeibaar

ik verstop je

zet je kabbels stil

probeer wat te slapen

dan houd ik de wacht 

als een verlaten stukje land

 

kroos

hoe kan het nu al zo laat zijn

zo vroeg in de dampende morgen

de zon oranje en half

kou glitterend op het gras


laatst nog

schoor ik je lokken wol

begon verlegen de zomer

meende ik de echo

van de lente nog te horen

 

ik warm mijn handen

in je viltige vacht

het lam dat je grootbracht

lijkt pas gister geboren

 

BOEREN OCHTENDGLOREN